Waarom is kennis over het brein belangrijk?

Als opleiders doen we veel relevante en goede dingen, maar we houden ons misschien teveel bezig met opleiden en te weinig met leren. Om het simpel te formuleren: opleiden is een ander iets bijbrengen en leren is jezelf iets eigen maken. En daar zit juist de crux. We willen dat docenten/studenten zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leren (jezelf iets eigen maken), maar we proberen ze iets bij te brengen (dus toch een groot deel van de onderwijstijd zelf aan het woord zijn). Studenten/Docenten kunnen alleen leren als we situaties creëren waarin dit mogelijk is. Om hierin goede keuzes in te maken moeten we weten hoe leren werkt. En zonder iemand tekort te willen doen moet ik helaas constateren dat er – uitzonderingen daargelaten – een gebrek aan kennis is bij opleiders (op alle niveaus) over hoe leren werkt (hoe leert ons brein). Nog minder kennis is er over hoe deze ‘neuro-kennis’ dan te vertalen naar passende leeractiviteiten waarin studenten tot leren komen. En dat is behoorlijk absurd als je er over nadenkt.

 

Het zou immers ondenkbaar zijn als een tandarts nauwelijks iets weet van het gebit, een klusjesman met vraagtekens in zijn ogen naar de inhoud van zijn gereedschapskist kijkt. We lijken het echter wel normaal te vinden dat opleiders niet zo veel weten van de primaire bron die zij proberen te ‘beinvloeden’, namelijk het brein van degene die leert.

 

Ik denk dan aan kennis als: hoe komt informatie ons brein binnen, waar dan rekening mee te houden, hoe wordt deze informatie verwerkt en opgeslagen, welke rol speelt herhalingen en spreiding daarin, wat is dan de rol van beweging, slaap, muziek en emotie bij leren, wat doet veiligheid, feedback, sturing, structuur en samenwerken met het leerrendement etc.

 

Ik zeg niet dat we allemaal neurowetenschappers moeten worden. Juist niet. Neurowetenschappers weten steeds meer van hun kennis te delen met het onderwijs en het onderwijs voedt de wetenschap met vragen uit de praktijk die om nader neurowetenschappelijk onderzoek vragen. Deze wisselwerking is al een hele sprong voorwaarts ten opzichte van een aantal jaren geleden. (Docent)Opleiders zijn de experts als het gaat om didactiek. Decennia lang is die didactiek voortgekomen op basis van ‘wat simpelweg werkt in de klas’ en wat we wisten uit, met name, de cognitieve psychologie.

 

De kennis over de werking van het brein in relatie tot leren was er pakweg twintig jaar geleden nauwelijks. Nu is die er wel – hoewel er nog steeds veel ontdekt moet worden en de relatie met opleiden en leren niet altijd evident is – en dat is prachtig. Dit betekent helaas ook dat er te simplistische interpretaties van onderzoeksgegevens in omloop zijn waardoor breinmythes ontstaan als: hersenhelftdominantie, je gebruikt maar tien procent van je hersencapaciteit en je moet studenten aanspreken op hun voorkeursleerstijl. Dit kan leiden tot verkeerde keuzes in de onderwijsaanpak.

 

De opleider en vooral de docentopleider is de expert als het gaat om didactisch goede keuzes maken ten behoeve van de onderwijskwaliteit. Om docenten goed hierin te adviseren wil ik het belang onderstrepen – en het haast de professionele plicht van iedere opleider noemen – om in elk geval in de basis iets te weten over neurowetenschappelijk onderzoek relevant voor leren en opleiden. Het gaat dan vooral om de vertaling van deze kennis naar effectieve didactische aanpakken. Je onderwijs zo te ontwerpen dat studenten/docenten echt leren en het nog leuk vinden ook. Dit is de kern en hiermee verleg je de focus van opleiden naar leren.

 

Mijn uitnodiging aan iedereen: ga ermee aan de slag! Het is echt de moeite waard. Wanneer je hulp nodig hebt, kun je mij uiteraard bellen of mailen, maar een mooie start is al het lezen van het boek: Teaching with the Brain in Mind – Eric Jensen.

 

Fijne zomer!

Linda Luchtman

13-07-2015

Reacties

Reactie toevoegen

Naam
E-mail
Bericht